Prenatal SSRI Use May Be Linked to Autism Spectrum Disorder
Laurie Barclay, MDApril 14, 2014
Prenatal use of selective serotonin reuptake inhibitors (SSRIs) appears to be a risk factor for autism spectrum disorders (ASDs) and other developmental delays (DDs) in young children, but underlying maternal depression may be a confounder, according to findings of a population-based case-control study published online April 14 in Pediatrics.
"Serotonin is critical in early brain development, creating concerns regarding prenatal exposure to factors influencing serotonin levels, like [SSRIs]," write Rebecca A. Harrington, PhD, MPH, from the Department of Epidemiology, Johns Hopkins Bloomberg School of Public Health in Baltimore, Maryland, and colleagues. "Prenatal SSRI use was recently associated with autism; however, its association with other developmental delays is unclear."
Therefore, the investigators analyzed the possible associations between prenatal SSRI use and the likelihood of ASDs and other DDs in the offspring in a group of 966 mother–child pairs. The pairs were enrolled in the Childhood Autism Risks from Genetics and the Environment (CHARGE) Study. Of those, 492 children had ASD, 154 had DD, and 320 had typical development (TD), according to standardized measures. The investigators interviewed the biological mothers regarding prenatal SSRI use, maternal mental health history, and sociodemographic factors.
Boys With ASD More Likely to Have Prenatal SSRI Exposure
Although children with TD had the lowest prevalence of prenatal SSRI exposure (3.4%), it was not statistically significantly different from the prevalence seen in children with ASD (5.9%) or DD (5.2%).
However, when the team analyzed boys separately, they found that boys with ASD were nearly 3 times as likely to have prenatal SSRI exposure compared with boys with TD (adjusted odds ratio [OR], 2.91; 95% confidence interval [CI], 1.07 - 7.93). This finding in boys with ASD was even more pronounced with first-trimester SSRI exposure (OR, 3.22; 95% CI, 1.17 - 8.84).
Boys with DD also had increased prenatal SSRI exposure compared with boys with TD (OR, 3.39; 95% CI, 0.98 - 11.75), but this only reached statistical significance in the second and third trimester (second trimester: OR, 4.41; 95% CI, 1.01 - 19.17; third trimester: OR, 4.98; 95% CI, 1.20 - 20.62). Among mothers with a history of anxiety or mood disorder, findings were similar but not statistically significant.
The authors note that the relatively small number of girls in the study precluded them as a separate subgroup (eg, just 17.5% of the children with ASD).
"This population-based case-control study in young children provides evidence that prenatal SSRI use may be a risk factor for autism and other developmental delays," the study authors write. "However, underlying depression and its genetic underpinnings may be a confounder."
Limitations of this study include difficulty in isolating SSRIs' effects from those of their indications for use, reliance on self-report with potential recall bias, lack of data on SSRI dosage precluding dose-response analyses, and a relatively small sample of DD children.
"In boys, prenatal exposure to SSRIs may increase susceptibility to ASD or DD," the authors conclude. "Larger samples are needed to replicate DD results. Because maternal depression itself carries risks for the fetus, the benefits of prenatal SSRI use should be carefully weighed against potential harms."
This research was supported by US National Institute on Environmental Health Sciences, the MIND Institute, and Autism Speaks. Funded by the National Institutes of Health. The authors have disclosed no relevant financial relationships.
Pediatrics. Published online April 14, 2014.
zaterdag 19 april 2014
Mogelijk verband tussen blootstelling aan SSRIs tijdens zwangerschap en ASS
zaterdag 1 maart 2014
Neurotoxines mede debet aan autisme en ADHD
Neurotoxische chemicaliën zijn mede oorzaak van de stijgende prevalentie van neurologische ontwikkelingsstoornissen als autisme, ADHD en dyslexie. Philippe Grandjean en Philip Landrigan van Harvard School of Public Health in Boston en de Icahn School of Medicine at Mount Sinai in New York concluderen dat in een overzicht van de bestaande onderzoeksliteratuur in The Lancet Neurology.
Op de lijst met chemicaliën waarvan bekend is dat ze een negatieve invloed hebben op de ontwikkeling van het menselijk brein staan momenteel 214 stoffen. Die komen voor in alledaagse producten als kleding, meubels en speelgoed. Grandjean en Landrigan noemen onder meer het oplosmiddel tetrachloorethyleen dat ze in verband brengen met hyperactiviteit, mangaan dat de ontwikkeling van cognitieve en motorische vaardigheden afremt, en bepaalde pesticiden die ook de cognitieve ontwikkeling vertragen.
Volgens beide onderzoekers blijft nu een pandemie van neurotoxische ontwikkelingsschade onopgemerkt. Van het merendeel van de chemicaliën waarmee mensen dagelijks te maken hebben, is bovendien onbekend wat de neurotoxische effecten zijn op foetus en kind. Vaststaat in ieder geval dat een kleine dosis al schade kan toebrengen aan de hersenen van (ongeboren) baby’s en kinderen.
Grandjean en Landrigan stellen daarom voor om te komen tot een internationale preventiestrategie en een internationaal agentschap dat producenten verplicht te laten zien welke risico’s verbonden zijn aan nieuwe chemicaliën. Dat voorstel komt niet voor het eerst, in 2006 deden ze ook al een poging.
Grandjean en Landrigan stellen daarom voor om te komen tot een internationale preventiestrategie en een internationaal agentschap dat producenten verplicht te laten zien welke risico’s verbonden zijn aan nieuwe chemicaliën. Dat voorstel komt niet voor het eerst, in 2006 deden ze ook al een poging.
Henk Maassen
www.thelancet.com/neurology http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/24556010
Labels:
ADHD,
ASS,
chemicaliën,
neurotoxines,
prevalentie
vrijdag 10 mei 2013
Heeft oxytocine ook effect op beperkte patronen van belangstelling?
Volgende bericht van het IMFAR congres geeft aan dat oxytocine bij personen ook effect zou hebben op hun beperkte patronen van belangstelling:
dinsdag 7 mei 2013
Foliumzuur aan het begin van de zwangerschap verkleint kans op autisme bij het kind
Surén et al concluderen op basis van een grootschalig onderzoek (n=85.000) onder zwangere vrouwen dat gebruik van foliumzuur vanaf 4 weken voor de conceptie tot 8 weken na de conceptie samenhing met een lagere kans dat er bij het kind later een autismespectrumstoornis gediagnosticeerd werd.
Surén P, Roth C, Bresnahan M, et al; JAMA. 2013;309:570-577
Surén P, Roth C, Bresnahan M, et al; JAMA. 2013;309:570-577
Labels:
ASS,
autisme,
foliumzuur,
kans,
zwangerschap
zaterdag 8 december 2012
Patricia van Wijngaarden: ‘Vrouwelijk autisme is wat minder bizar’
Ontwikkelingsstoornissen vaak gemist bij meisjes
Een meisje dat veel kwebbelt of gek is van paarden. Niks raars aan. Of toch? Psychiater Patricia van Wijngaarden komt in de verslavingszorg geregeld vrouwen tegen bij wie in de jeugd de diagnose ADHD of autisme is gemist. Ze pleit voor een vrouwelijke vertaling van de criteria.
Lieke de Kwant. Medich Contact 2012, 49; 2770-2773
Labels:
ASS,
autisme,
geslacht,
sexe,
vrouwelijk
zondag 2 september 2012
Hoe ouder de vader, hoe meer genetische mutaties
Hoe ouder de vader, hoe meer genetische mutaties hij aan zijn kinderen overdraagt. Hierdoor neemt het risico op afwijkingen zoals schizofrenie en autisme wellicht toe. Dit blijkt uit genetisch onderzoek bij IJslandse families. Augustine Kong e.a. publiceren erover in Nature.
De onderzoekers brachten het genoom in beeld van 219 mensen die samen 78 verwante trio’s (zoals vader-moeder-kind) vormden. De onderzoekers waren geïnteresseerd in SNP’s (single nucleotide polymorfism-mutaties) op de autosomale chromosomen. De leeftijd van de vaders lag op één geval na tussen de 18 en 40.
Het aantal SNP’s neemt toe met de leeftijd van de vader, en verdubbelt naar schatting in 16,5 jaar. Oudere moeders geven ook meer mutaties door dan jongere, maar het aantal mutaties dat zij doorgeven is veel lager (voor vaders gemiddeld 55, voor moeders 14). Als de leeftijden van beide ouders in een multipel regressiemodel worden gestopt, blijkt alleen de leeftijd van vader significant gerelateerd aan meer mutaties bij het kind. Dit neemt overigens niet weg dat oudere moeders vaker chromosomale afwijkingen aan hun kinderen overdragen, zoals downsyndroom.
De onderzoekers denken dat hun bevindingen een verklaring kunnen vormen voor de relatie tussen een hoge leeftijd van de vader en een groter risico op schizofrenie en autistische stoornissen bij hun kinderen.
Sophie Broersen (medisch contact, aug 2012)
vrijdag 13 april 2012
Minder ASS diagnoses door de DSM-5
In de JAACAP wordt beweerd dat er door de voorgestelde DSM-5 criteria voor autisme veel minder mensen in aanmerking zullen komen voor een diagnose autismespectrumstoornis (ASS).
Een resultaten van een onderzoek van de Yale University wijzen erop dat 40% van degenen bij wie op grond van de huidige DSM-IV criteria een ASS werd gediagnosticeerd hun diagnose door toepassing van de DSM-5 criteria zouden kunnen verliezen en daarmee geen aanspraak meer zouden kunnen maken op voorzieningen in de zorg.
Labels:
ASD,
ASS,
autism,
diagnosis,
DSM-5,
prevalence,
proportion,
Yale criteria
Abonneren op:
Posts (Atom)